Moment <vorig  verder>

1  De pas uitgekomen ranonkelbloempjes lijken op de warme lucht te zweven, zo dun is de steel die ze draagt. Ik wou dat ik hun geluid kon horen: het geel dat door een oude Japanner gevouwen wordt, de pompjes die de sappen tot hier brengen, de aanrakingen van de wind. Bestaan er oren die onhoorbaarheden horen?

2  In de verte is een zee gaande, dat is zeker. Een zee van beweging.

3  Het vogelgefluit, trillend, slokkend, druppelend, is geen geluid maar een aanraking, door de goedmoedige lucht tot bij mij gebracht. Dank u, denk ik, en zoek wat ik kan teruggeven. Is mijn luisteren ook een aanraking?

4  Zonlicht: dit is geen aanraking meer, maar pure erotiek. Een lichaam gaat zo vol en breed op een ander lichaam liggen dat ik er sprakeloos van word. Doe maar, denk ik dan, als jij het zo goed weet, doe maar. En even raak ik me helemaal kwijt.

5  Als ze blaffen, bijten honden in de lucht, daar ben ik zeker van. Zoveel onrust jaagt hen op. Er gebeurt teveel ineens.

6  Duivengekoer. Oud en wijs zijn ze geworden, de duiven.

7  Ook toen ik klein was, kon ver vliegtuiggeronk me blij maken. Zoals je vergezicht hebt, zo heb je vergehoor. Even onuitputtelijk.

8  Dat lichte windgeruis, dat kan geen enkel orkest, hoeveel ze ook gemediteerd hebben, hoe zacht ze ook willen strijken. Het zijn die dunne laagjes die laten zien hoeveel meer er aanwezig is.

9  De kat zoekt een plaats waar het goed is om verder te leven. Niet gemakkelijk, lijkt het. Nergens ligt ze langer dan een paar minuten. En dan moet er weer gezocht worden. Dat is het lot van wie zelf kan bewegen: kiezen is niet eenvoudig, wanneer weet je of iets goed is?

10  Dat rondlopen in mijn hoofd. Een hele wereld beweegt daar: beelden en stemmen, en gevoelens die vonkjes geven, en keuzes om te maken, altijd weer. Gelukkig zijn er gaten in, in mijn hoofd.
Gelukkig mag ik ook niets doen, en wachten.

11  En dan kom jij binnen, met twee ogen die me onderzoekend aankijken. Nog een wereld erbij, het houdt nooit op. Maar ik hou wel van je wereld: bij jou gaat bewegen gemakkelijk. Kijk naar me: dan weet ik het zeker dat ik niet afgescheiden ben. Nu toch niet.

12  Maar het grote bewegen. Dit moment is niet eeuwig. Straks is het onherroepelijk weg. Deze woorden mogen dan geuren zijn die achterblijven, het moment zelf is weg. En dat dit zo is met alles, en altijd. Dit bewegen is zo groot dat een mens geloof nodig heeft om verder te kunnen leven. Ik weet niet hoe het is met honden en ranonkelstruiken, maar een mens moet uit elk moment wat geloof overhouden voor het volgende. Anders lukt het niet, of moeilijk. Geloof dat het volgende moment goed zal zijn, gemakkelijk, misschien zelfs vanzelfsprekend. Geloof dat het bestaan met vertrouwen te maken heeft, ook met zelfvertrouwen. Dat al het vreemde dat in mij is samengestroomd, me niet ongenegen is. Meer zelfs: een zekere schoonheid heeft gekregen, wil samenklinken, en dat er iemand is die wil luisteren.
Is het dan nooit af, dat geloof, dat er een zekerheid is die nooit meer overgaat? Net omdat alles geschiedenis is, zal het geloof niet kunnen stilstaan. Maar we zijn niet alleen: in ons leeft het geloof van de voorvaderen, van hun verhalen, van hun mond en blik. We kijken met hun ogen, we spreken met hun stem. En misschien is het nog groter, is er geen bestaan zonder dat er Iemand schept, is er geen beweging zonder dat er Iemand luistert, is er geen richting zonder dat er Iemand roept…