Lof van de gegevenheid <vorig  verder>

In een tijd van godmensen (naar het woord van Luc Ferry) is de diepste ervaring die van het afgescheiden zijn. Het soort god dat hier bedoeld wordt, is fundamenteel eenzaam. In het universum is telkens maar plaats voor één, hoe waanzinnig dat ook klinkt. Het is ook waanzinnig, denken dat je de wereld kunt vullen met je eigen soortelijke gewicht. Vandaar dat we zo vaak uitkomen bij een beschamende lichtheid: vlotheid, radde tong, ironie als hoogste kunst en een lichaam dat jong is, maar ook niet meer dan dat… En wat dan met wie een ander lichaam heeft, wie twijfelt en aarzelt en verlegen is, wie ernstig wil zijn, trouw door de dagen, wie zwijgt en luistert, wie onopvallend is, arm of ziek, vergeten leek toen de talenten werden uitgedeeld? Als alles zo zichtbaar is, is voor onzichtbaarheid geen plaats…

Vandaar dat ik de lof wil zingen van gegevenheid. Gegevenheid is de eenvoudigste en krachtigste vorm van identiteit, zomaar uit de hand van het leven gevallen, zomaar uitgedeeld alsof er voor ieder genoeg was, zonder concurrentie op het scherp van de snee, zonder examen, zonder kans op verlies. Ik moest daaraan denken tijdens de voorbije familiefeesten met kerst en nieuwjaar. Daar lopen oud en jong door elkaar, maar allemaal worden ze gedragen door dat vanzelfsprekende dat familie is. Niet dat er in een familie geen ruzie of afstand of oorlog kan zijn, maar de pijn ligt elders, niet in de gegevenheid van broer of zus, kind of ouder. Kinderen kunnen zich koesteren in die gegevenheid, zich laten wiegen door die grote aanwezigheid. Dat er voor alles een naam is, ook voor hen, vooral voor hen. Hoeveel vertrouwen zit er in een naam?

Het is de gegevenheid van een gezin, van een café, van een vriendenbende die de tijd overwint. Het is de gegevenheid van een taal, van de jaren die zich in je ophopen, van ervaring. Het is de gegevenheid van dood gaan, zo kostbaar is het dat iets mag eindigen. Het is de gegevenheid van rituelen, van het herkenbaar, lichamelijk aanraken van die aanwezigheid. In eten, drinken, omhelzen, in zegenen en danken, in zingen en stil worden, in vertellen en luisteren, in feest vieren en afscheid nemen wordt de gegevenheid aanwezig gesteld, benoemd, groter gemaakt dan ze al is, en, groter gemaakt, meegenomen voor later.

Wie ogen heeft voor de gegevenheid, ziet dat het hele bestaan gegeven is. In de dagboeken van Wittgenstein trof mij de volgende zin: Wat onbegrijpelijk en abnormaal dat iets bestaat, dat de wereld bestaat, dat ik er ben. Wie de muziek in zijn oren uitzet en weer de geluiden van de wereld hoort, wie voelt hoe fijn zijn lichaam voor hem alles bijeen en op zijn plaats houdt, wie de blik van zichzelf kan afwenden en kan kijken zonder bijbedoelingen, die voelt dat dit gegeven moment raakt aan de leegte die de boeddhistische monnik zoekt, zo ongrijpbaar vol en zo oneindig broos, dat het onder je ogen breekt. Niets hebben we en we hebben alles, en zomaar, voor wie dit grote gebaar wil zien dat geeft en neemt…

Vandaar dat ik de vloeibare identiteit van deze post-moderne tijd eigenlijk een zegen vind. Ik mag gelovig én ongelovig zijn, ik mag zoeken terwijl ik al gevonden heb. Ik mag moeder zijn, en een job ambiëren, en minnares zijn van de man die eigenlijk mijn echtgenoot is. Soms heb ik conservatieve denkbeelden en soms zou ik de wereld willen opblazen om van nul te herbeginnen. Oud ben ik, maar ik mag mij jong kleden en gedragen. Jong ben ik, maar ik mag bewust oud worden en sterven. Nee, ik hoef geen godmens te zijn, alleen deze kleine menselijke identiteit vullen en laten vullen met betekenis is al genoeg, ook al weet ik soms niet meer wie ik ben. Maar ik mag zoeken, veranderen, herbeginnen, zoals ik wil.

Maar laat mij niet afgescheiden worden, laat mij niet uitvallen, achterop raken, vergeten. Geef mij elke dag de gegevenheid die ik nodig heb om mezelf te vinden.