![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Het Ongenoemde Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
In een tijd van godmensen (naar het woord van Luc Ferry) is de diepste
ervaring die van het afgescheiden zijn. Het soort god dat hier bedoeld
wordt, is fundamenteel eenzaam. In het universum is telkens maar plaats
voor één, hoe waanzinnig dat ook klinkt. Het is ook waanzinnig,
denken dat je de wereld kunt vullen met je eigen soortelijke gewicht.
Vandaar dat we zo vaak uitkomen bij een beschamende lichtheid: vlotheid,
radde tong, ironie als hoogste kunst en een lichaam dat jong is, maar
ook niet meer dan dat
En wat dan met wie een ander lichaam heeft,
wie twijfelt en aarzelt en verlegen is, wie ernstig wil zijn, trouw
door de dagen, wie zwijgt en luistert, wie onopvallend is, arm of ziek,
vergeten leek toen de talenten werden uitgedeeld? Als alles zo zichtbaar
is, is voor onzichtbaarheid geen plaats
Vandaar dat ik de lof wil zingen van gegevenheid. Gegevenheid is de
eenvoudigste en krachtigste vorm van identiteit, zomaar uit de hand
van het leven gevallen, zomaar uitgedeeld alsof er voor ieder genoeg
was, zonder concurrentie op het scherp van de snee, zonder examen, zonder
kans op verlies. Ik moest daaraan denken tijdens de voorbije familiefeesten
met kerst en nieuwjaar. Daar lopen oud en jong door elkaar, maar allemaal
worden ze gedragen door dat vanzelfsprekende dat familie is. Niet dat
er in een familie geen ruzie of afstand of oorlog kan zijn, maar de
pijn ligt elders, niet in de gegevenheid van broer of zus, kind of ouder.
Kinderen kunnen zich koesteren in die gegevenheid, zich laten wiegen
door die grote aanwezigheid. Dat er voor alles een naam is, ook voor
hen, vooral voor hen. Hoeveel vertrouwen zit er in een naam? Wie ogen heeft voor de gegevenheid, ziet dat het hele bestaan gegeven
is. In de dagboeken van Wittgenstein trof mij de volgende zin: Wat onbegrijpelijk
en abnormaal dat iets bestaat, dat de wereld bestaat, dat ik er ben.
Wie de muziek in zijn oren uitzet en weer de geluiden van de wereld
hoort, wie voelt hoe fijn zijn lichaam voor hem alles bijeen en op zijn
plaats houdt, wie de blik van zichzelf kan afwenden en kan kijken zonder
bijbedoelingen, die voelt dat dit gegeven moment raakt aan de leegte
die de boeddhistische monnik zoekt, zo ongrijpbaar vol en zo oneindig
broos, dat het onder je ogen breekt. Niets hebben we en we hebben alles,
en zomaar, voor wie dit grote gebaar wil zien dat geeft en neemt
Vandaar dat ik de vloeibare identiteit van deze post-moderne tijd eigenlijk
een zegen vind. Ik mag gelovig én ongelovig zijn, ik mag zoeken
terwijl ik al gevonden heb. Ik mag moeder zijn, en een job ambiëren,
en minnares zijn van de man die eigenlijk mijn echtgenoot is. Soms heb
ik conservatieve denkbeelden en soms zou ik de wereld willen opblazen
om van nul te herbeginnen. Oud ben ik, maar ik mag mij jong kleden en
gedragen. Jong ben ik, maar ik mag bewust oud worden en sterven. Nee,
ik hoef geen godmens te zijn, alleen deze kleine menselijke identiteit
vullen en laten vullen met betekenis is al genoeg, ook al weet ik soms
niet meer wie ik ben. Maar ik mag zoeken, veranderen, herbeginnen, zoals
ik wil.
|
||
![]() |
![]() |