|
Er is nu ook al een patroonheilige voor de chatters, zei iemand al
lachend na het voetballen, als mannen, bij de pint en bij elkaar, graag
nog wat verder spelen. Hoe komen ze er op, zei hij nog.
En ik moest denken aan de heilige Rita, patroonheilige "voor de
hopeloze gevallen". Op een zondagnamiddag waren we al wandelend
in de Gentse Augustijnerkerk aanbeland, waar een kapel is voor de H.Rita.
In de hoge, donkere ruimte van de kerk lag, net bij het binnenkomen,
een schrift voor gebedsintenties. We begonnen te lezen en bleven lezen.
Het leed dat in dat schrift lag
Opgeschreven zowel door handen
stram van onhandigheid als door geoefende handen. Geformuleerd in woorden
die niets meer konden zeggen dan die ene snik, maar ook in woorden die
weten wat formuleren is. De smekende vraag om een kind terug te vinden,
om een huwelijk te redden, om werk te vinden, om een ziekte aan te kunnen.
Het verlangen, dat een gebed werd, naar een goede geboorte, een goed
examen, een geliefde. Smekende woorden, niet alleen in het Nederlands,
of met Gentse tongval, maar ook in andere talen, zelfs veel andere talen
We werden er stil van, en namen die stilte mee in het kleine kapelletje
waar we tussen de twee, drie bezoekers gingen zitten. Niet zozeer dat
de kapel niet vol was, trof ons, maar dat ze nooit leeg leek te zijn
Wat bracht mensen hier met hun hopeloosheid? Met dat ene waarmee ze
opstaan en gaan slapen, dat soms brekende verlangen om bijeen te houden,
of weer bijeen te brengen? En waarom hier, bij een vrouw die, zelfs
al is ze heilig geweest, niemand meer kent?
Is het soms omdat, in de persoon van die vrouw, het leven zelf wordt
aangesproken, gedwongen wordt te luisteren? Er wordt al zo moeizaam
geluisterd in deze maatschappij die holt, en koopt, en regelt, en in
slaap valt voor de televisie. Maar hier, in de stilte van deze kerk,
van dit schrift, van deze kapel met zijn brandende kaarsen, hier wil
een stem klinken, zelfs al beeft ze, zelfs al schaamt ze zich, zelfs
al gaat de wanhoop niet over
Aanspreken is ter verantwoording roepen: leven, ik weet dat je slaat,
maar ik weet ook dat je geeft, en dat die beweging altijd groter is,
groter moet zijn; je hebt me mijn kind gegeven, leven, mijn geliefde,
mezelf, en dit gebaar vergeet ik nooit; leven, waarom mij aanraken als
je me nu alleen laat
Ter verantwoording roepen is samen weer in dezelfde richting kijken,
naar het grote Gebaar waaruit het leven zelf komt, het bestaan dat men
lief kreeg en dat het gezicht droeg van een man, de ogen van een dochter,
de stem van een zoon, de naam van een mens. Misschien willen mensen
echt op bepaalde momenten het leven doorzichtig maken, zodat de onzichtbaarheid
zichtbaar wordt: de liefde die alles betekenis moet geven, de kracht
die alles moet dragen en waarvan er genoeg is voor iedereen, anders
was het bestaan zelf er ook nooit geweest
Misschien willen mensen,
met dat zichtbare, tastbare, gevoelige lichaam van hen, een stap zetten,
hun vinger op het grote leven leggen tot het pijn doet van de hoop,
tot de rust komt van het volgende moment. Zoals brood breken telkens
weer het dwingende gebaar is dat zegt: het moet mogelijk zijn, een gedeelde
en geheiligde wereld, zo worden hier de woorden in dit schrift geschreven,
zo worden hier de kaarsen aangestoken, zo staat hier deze kerk, leeg
van binnen, en zo vol
En ik denk terug aan Gaby, mijn buurvrouwtje met haar ene oog toen
ik student was. Ze was de humor en de spitsheid zelf, ze noemde mij
"haar lief" en gaf mij van haar meubels en haar soep, ze zorgde
voor haar kleindochter en voor haar herinneringen, een zwaar leven had
ze gehad, maar vertellen is ook een plezier, ze vreesde de winter omdat
de kraan op het koertje kon vervriezen en ze vreesde de ziekte die ouderdom
heet, en afhankelijk maakt, en wezenloos. Naar de kerk ging ze niet,
maar wel elk jaar naar de H.Rita. En toen ze stilgevallen en bleek uit
de oude Bijloke kwam gerold ging ik, op haar verzoek, voor haar. Misschien
brandt de kaars die ik toen aanstak nog altijd
|