Kaddisj <vorig  verder>

In Kaddisj voor een ongeboren kind van Imre Kertesz staat een passage die me aangrijpt. Kertesz is de relatief onbekende Hongaarse schrijver die in 2002 de Nobelprijs literatuur kreeg. Opgepakt in de oorlog en door de hel van Auschwitz gegaan heeft de jood Kertesz zijn thematiek niet zelf gekozen, zoals dat ook voor Primo Levi gold. Zijn hele leven zou Kertesz, naar zijn eigen woorden, "het graf in de hemel verder schrijven"… Zijn bekendheid kwam er met Onbepaald door het lot, een roman waarin hij de kampervaring laat vertellen door de ogen van een kind, een uniek standpunt tegenover de gruwel.

Kaddisj voor een ongeboren kind is een klein boekje, een monoloog waarin hij probeert te formuleren waarom hij nooit een kind heeft willen hebben, de treurzang van een vader voor een ongeboren mens die hij op die manier zijn eigen lot bespaarde. Zijn huwelijk ging er aan ten onder, een leven van eenzaamheid wachtte, van tastend schrijven, tegenover zijn eigen ervaring, maar ook tegenover een regime dat hem onwelwillend was. Ontmenselijking heeft vele gezichten.

En toch is dit geen wanhopig boek. Integendeel. "Ik schrijf," zegt hij "in de hoop ooit mijn hoop te leren kennen". En dan blijkt dat "kennen" hier betekent "begrijpen", want Kertesz vertelt de ervaring die hem in Auschwitz het meest getekend heeft. En dat is niet de dood, maar het leven: "niet de dood is absurd, maar de beweging die in leven zit". Hij was op transport, lag doodziek op een baar bij het perron, had nog geen rantsoen gekregen. Dat lag bij een andere uitgemergelde, de man die "de leraar" werd genoemd. Dan wordt hij zonder aanwijsbare reden opgetild en een beetje verder gezet bij een andere wagon. En plots ziet hij hoe de man die "de leraar" werd genoemd, naar hem toeloopt, hem zijn voedselrantsoen toeschuift, sist "hoe durf je het in je hoofd halen" en terugkeert naar zijn plaats, dat alles op onmiddellijk gevaar voor zijn eigen leven…

Die ervaring dat iemand verontwaardigd is dat hij, Kertesz, niet verder zou (willen, kunnen) leven, dat iemand zijn leven daarvoor waagt, alsof dat leven niet ook iets heiligs is, die spontane reactie, die impuls in de keuze voor het leven verwarden Kertesz meer dan de duizend gezichten van de dood die hem dagelijks omringden: "Er moet dus iets zijn - en ik wil jullie verzoeken dit niet te benoemen -, er moet dus een volstrekt zuiver, door geen vreemde materie - noch door ons lichaam, noch door onze ziel, noch door de in ons woedende wilde dieren - bezoedeld begrip zijn, een gedachte die we allemaal als beeld in de geest dragen, een idee, waarvan de - hoe zal ik het zeggen? - de ongeschondenheid, de integriteit, of hoe jullie het ook willen noemen, voor hem, de leraar, de enige werkelijke kans was om in leven te blijven, zodat de kans om in leven te blijven door die idee op te geven helemaal geen kans was, eenvoudig dààrom niet omdat hij, als hij die idee niet kon hooghouden, niet in zijn zuivere, onbezoedelde vorm kon bewaren, niet eens wilde, ja waarschijnlijk niet eens kon leven".

Nog een citaat: "Ik ben allang niet meer geïnteresseerd in führers, kanselieren en andere titeldragende usurpators, hoeveel belangwekkends ik ook over hun zielenleven zou kunnen vertellen, en jarenlang richt mijn belangstelling zich niet op de levens van dergelijke dictators, maar op die van heiligen, ik vind hun leefwijze veel merkwaardiger en boeiender omdat ik er geen strikt rationele verklaring voor kan geven".