|
Monniken hebben een geheim, een schat ontdekt. Anders laat je niet
alles vallen om je erover te buigen, je leven lang. Misschien is passie
ook een goed woord. Je hebt ook kalme passies, zonder de heftigheid,
maar met hele diepe kleuren. In Sri Lanka vond ik een boeddhistische
monnik in zijn afgelegen grot, we moesten zoeken en een eind stappen,
maar ik zag een man met het gezicht en de glimlach van Harry Belafonte.
En zag ik diezelfde glimlach niet in Brecht, bij de trappistinnen waar
mijn schoonzusje woont.
Ze zingen, de monniken, en als ze werken zingen ze ook, zachtjes, in
hun handen, in de juiste gebaren, in de golfslag van hun hart. Ze lezen
de oude verhalen, en weten zelf niet meer hoe oud ze zijn. Ze zoeken
de stilte omdat daar de aarde doorschijnend wordt, groter dan ze al
is. Ze sluiten zich op omdat ze dan nog beter kunnen zien.
Want hun geheim is groot. Ze noemen hem God, of Vader, Zoon en Geest,
en elke keer buigen ze. Maar ze weten dat woorden tekort schieten, dat
ze leven moeten waar ze niet over kunnen spreken. Het onnoembare, de
moeder, de liefde die alles laat bestaan, de liefde die gezegd heeft:
Ik zal er zijn. En ze weten dat als die grote vrede in hen zal sijpelen,
een leven lang, dat de wereld zal genezen. Ook dat is een geheim. Te
vergelijken misschien met ouderliefde. Je weet dat, waar je ook bent
en wat je ook doet, je ouders aan je denken, op je wachten, er zullen
zijn. Een monnik wil vader en moeder van de hele wereld zijn.
Want het is het echte christendom niet om het hiernamaals te doen. Het
leven is geen examen. Het gaat om het Rijk Gods nu, dat de rechtvaardigheid
zich zou uitstrekken over de wereld nu, dat de vrede zou genezen nu.
Als ze al iets gekregen hebben, de monniken, dan is het om ogenblikkelijk
weer weg te geven. Jezus zelf leefde zijn onwaarschijnlijke leven ook
zichtbaar en tastbaar in het nu, en zijn woorden hadden betrekking op
de wereld zoals iedereen hem kon zien, en als hij vermoord is, dan was
dat niet een hemelse gebeurtenis, maar een die pijn deed, veel pijn.
Maar ook daar een geheim. Het geheim van de hoop. En van de kracht die
doorgegeven wordt, die zegt dat ze niemand zal vergeten, geen enkel
mensenkind, geen enkel pover bestaan.
En wij die in de wereld leven, is het geheim aan ons voorbij gegaan?
Wij met in ons hoofd uitstalramen, en massieve snelwegen, en moeë
gezichten, en kinderen die ziek zijn, of bang, en die zelf bang zijn
op verloren momenten, en die voelen hoe weinig stilte er is als we 'ns
iets willen zeggen?
Het is waar, als we meedrijven tegen onze wil en met moeite het hoofd
boven water houden, zal onze moeheid de wereld niet genezen. Of misschien
toch wel, als we haar stil laten worden en proberen te begrijpen. Zoals
we alles moeten begrijpen, om de liefde niet te verliezen. Moeheid die
in ons daalt als regen in de grond, als kleuren in de herfst, is ook
geheimzinnig. Alles van diepte, van begrip is een geheim.
Een monnik is een man van ritme. Misschien moeten we ook een groot ritme
in ons leven toelaten, of zelf scheppen met onze kleine handen.
Laat onze eerste gedachte, bij het wakker worden, er een zijn van dankbaarheid.
Dat het leven uit een grote hand valt, en dat wij dat krijgen. Als dat
geen geheim is. Onze lauden, 's morgens: proberen even in dat geheim
te kijken. Misschien op onze rug in een bed dat nog warm is, misschien
als we voor het eerst vandaag door het raam kijken en ons de nederigheid
van dat raam treft, niets anders dan licht doorlaten tot redding van
de mensheid.
En in de loop van de dag even halt houden en kijken. Onze getijden in
een auto, een vergaderzaal of op het veld. Waar kijken we naar? Naar
de gezichten van de mensen rondom. Hun geheim. Hun verhaal. Lang kijken
doet van mensen houden, zo simpel is het soms. Vooroordelen verbleken
dan, omdat er een diepere kleur bovenkomt. Het gezicht van een mens
als psalm. Misschien zelfs gezongen, als er vreugde is, of de spot die
vriendschap heet.
Monniken zijn mensen van geloften. Geloften zijn deuren die open zijn
gezet. Ligt daar niet voor ons, monniken van de wereld, onze gehoorzaamheid:
dat wij ons leven laten vullen door wat zich toevallig aandient, door
wat toevallig door onze deur binnenkomt? Dat geheim moeten we delen,
die liefde moeten we laten kleuren. En onze armoede? Dat we alleen nog
leven van de innerlijke kracht? En onze zuiverheid? Dat we de grote
vrede bewaren in ons hart, zoals het zo mooi oud wordt gezegd. Monniken
zijn ook dichters, mensen van weinig maar de juiste woorden. Woorden
die verbinden, die verbeelden. Woorden die verklanken.
En als het dan avond wordt in onze dag, als we moe heen en weer hebben
gelopen om de wereld zijn gezicht te geven, moeten we misschien even
stilstaan bij het grootste ritme van allemaal: de hunker van deze wereld,
het immense verlangen naar troost, naar waardigheid, naar betekenis.
Misschien is het goed dat de dag kort is, net lang genoeg voor schamele
mensenarmen, net kort genoeg om niet onderdoor te gaan, om te kunnen
uitrusten in de slaap. En morgen is het weer opstaan en verder proberen.
De wereld gaat zijn gang beetje per beetje, dag per dag. En veel wordt
vernield, maar ook veel wordt opgebouwd. De wereld is geen beerput,
zoals ik onlangs op de radio hoorde. Dat gelooft een monnik niet, kan
hij niet geloven zonder de zin van zijn leven te verliezen. De moedeloosheid
van mensen, dat zijn onze vespers. We rijden naar huis, we vertellen
de dag in stukjes en brokjes, we eten en willen daardoor in leven blijven.
Misschien is het goed bij dat eten te beseffen hoe groot die wil is
om te bestaan, en hoezeer we hem moeten delen. Voedsel deelt, wij delen.
Het leven is van iedereen, een goed leven ook.
En 's nachts komt de rust, moet de rust komen. Voor we inslapen, denken
we aan de hand van onze moeder. Alles hebben we gekregen, dit dichtbije
lichaam, deze adem, dit hoofd met de hele wereld in. Houden we daarvan?
Laten we er van houden, want het was de liefde van onze moeder. Salve
Regina zingen de monniken in een bijna donkere kerk. Kunnen wij begrijpen
wat dat is, alles te krijgen, ons leven lang? Ja, als we aan onze moeder
denken, en aan onze vader die ook onze moeder is, en aan ieder die onze
vader en moeder is. En dan wordt het leven licht, stroomt het verder
zoals alles stroomt, naar de plaats waar nog geen leven is en die ongedurig
wacht om te kunnen en te mogen bestaan.
|