De scheppende blik <vorig  verder>

Op een avond, toevallig zappend, zag ik op Arte een film over landschapskunstenaar Andy Goldsworthy. De documentaire heette Het werk van de tijd en toonde Goldsworthy aan het werk rond zijn huis in Schotland, in Noord-Canada en nog elders. En ik zag, met groeiende verbazing, de wondere blik van een man die met wat hij vindt in de grote natuur indrukwekkend mooie dingen maakte. Niet voor de eeuwigheid, maar zo teer en kortstondig als een blad in licht. Maar ook zo tijdloos als een blad, die volmaakte vorm waar ontelbare generaties op geoefend hebben, tot deze simpele boom de beweging als vanzelf herhaalt…

En ik zag de essentie van wat ik de poëtische blik noem: de blik die ziet hoeveel er schemert achter het zichtbare, hoeveel onzichtbaars er wacht om aangeraakt en blootgelegd te worden, hoeveel wonderen zich willen voltrekken voor onze ogen, niet alleen in bladeren, maar ook in mensen.

In het noorden van Canada bouwde Goldsworthy met stukjes ijspegels een spiraal rond een zwarte rots, die dan het licht ving op een manier die ik nooit zag: zoveel licht ging in die kleine vorm liggen. Met wrakhouttakken bouwde hij, in de uren die de eb hem gunde, een iglo aan de rand van het water, één oog open naar de hemel, en keek toen hoe het water zijn hut, zijn houten draaikolk, heel zachtjes optilde en meenam naar de zee.

De poëzie van Andy Goldsworthy: keien van uitdovend wit rond een gat van zwarte aarde gelegd, en omgekeerd, gele paardebloemen in een donker rotsgat; hij ligt op een rots in de beginnende regen en als hij opstaat ligt nog iemand op de rots, de lege, lichte plek van een mens die er eens was; hij legt afgebroken en op de grond gevallen takken volgens het spel van wisselende kleur bijeen, tot er een lijn ontstaat die de natuur ook had kunnen bedenken maar om de een of andere reden niet deed; hij stapelt leistenen als een sparappel op elkaar en dan staat daar die conische vorm die de tijd zal overwinnen; hij vindt rode aarde, kneedt haar tot bollen, gooit zo'n bol in de rivier en kijkt hoe de rotsen rond het water zich vullen met hevig rood, even lijkt nu hun oneindige traagheid te blozen, te bloeden; ik zie hem onder een boom een kantwerk ophangen van dorre takken die hij verzameld heeft, voorzichtig prikt hij ze met doornen aan elkaar, steunt ze met voorzichtige vingers tegen de wind, maar kan toch niet verhinderen dat de broosheid breekt…

De schoonheid die hij vindt doet niet denken aan, is geen mimesis, geen nabootsing van iets bestaands. Nee, ze is heel en al zichzelf in haar verrassende gegevenheid. Het wonder van het scheppen zie ik onder mijn ogen gebeuren, en het is alsof wat ik zie er altijd al was, zo evident juist lijkt het wat ik zie. Is niet heel onze wereld, heel ons bestaan schepping, op elk moment? Kan een mens niet een ander mens worden, getroost en geliefd en gesterkt, met zelfs een ander gezicht en een ander lichaam? Alleen de hand van de maker hebben we nodig, de blik die ziet wat in ons te slapen ligt, de hand die ons aanraakt en tot nieuw leven tovert. Gebeurt het niet? Het gebeurt elke dag, even verrassend gegeven als de bladeren en de stenen van Goldsworthy. Even tijdelijk, dat wel, zoals alles tijdelijk is, uiteindelijk.

Al kijkend vergat ik de film op te nemen, schreef naar Arte maar die zenden hem niet meer uit. Ook dit kijken van mij zal het werk zijn van de tijd. "Maar ik heb altijd gewild dat ik dat was, een lege plek voor iemand om te blijven"