|
Ik lees wel eens een gedicht in een vreemde taal. Zeker als ik ooit
de stem van de dichter hoorde. Daarvoor zijn die media aardige lastdieren:
ze nemen een stem op, en brengen hem bij mij.
De stem van Seamus Heaney ken ik, het beetje neuzige Engels van de Nobelprijswinnaar,
alsof de wind door zijn neusgaten waait van het eiland waar hij zoveel
(ver)wondermomenten meemaakte: het licht op de zee, het geluid van de
pomp van het ouderlijke huis, de tegenlichtgestalte van zijn thuiskomende
vader. Niet voor niets heet een van zijn bundels Seeing Things. "Het
leven houdt zijn geheimen verborgen, tot het ze openbaart in hun hogen
staat" schreef de dichter Bloem. Zo is het met Heaney: kijken is
het nooit verminderende verlangen naar diepte, naar openbaring van betekenis,
naar de eenheid die zelfs de eenvoudigste dingen moeten kennen.
Of ik luister naar het lichte Duits van Paul Celan, Oost-Europese jood
overgebleven na de oorlog, in Frankrijk, in het Duits waarmee zijn moeder
werd vermoord, in de zinloosheid van een wereld die geen antwoord geeft.
Zijn stem is licht, soms aarzelt hij. Het onzegbare dat telkens weer
valt, en waarvan hij de brokstukken opraapt? Openbaring kan ook gruwelijk
zijn, een niemandservaring. In Psalm richt Celan zich tot een Grote
Niemand: "Gezegend zijt Gij, Niemand, laat ons bloeien, wij niemanden,
Niemandsrozen, laat ons stamelen, in purperwoorden, over de doorn"
Ik lees wel vaker een gedicht in een vreemde taal. Maar zonder de stem
van de dichter blijven ze vreemd, zelfs al begrijp ik ze. Ik lees betekenissen,
ik hoor geen toon. Lees ik diezelfde gedichten in het Nederlands, dan
hoor ik die toon weer wel. Wat is dit toch voor een vreemde ervaring?
Wat hebben mijn Nederlandse woorden dat de vreemde niet hebben?
Zoals een stem horen een regelrechte aanraking is, zo zijn mijn Nederlandse
woorden blijkbaar ook vlees en bloed, veel meer dan zomaar communicatie
van betekenis. Ze klinken tussen de vele geluiden waarin ik opgegroeid
ben, van de adem die mij gerust stelt tot de klap die mij doet omzien,
van het zwijgen van ogen tot het zingen van een mond.
Mijn lichaam heeft zijn warmte, zijn gewicht, zijn vorm, zijn geur.
Mijn lichaam heeft ook zijn toon: de toon waarmee het betekenissen verzamelde,
de toon waarin het bang werd of blij, waarin het verhalen hoorde van
andere levens, zoveel beweging voor zo'n klein lichaam. Die toon klinkt
in mijn Nederlandse woorden, en zoveel minder in de vreemde. Behalve
als ik de stemmen hoor achter de vreemde woorden: plots word ik ontroerd,
aangeraakt door weer een leven op zoek.
Tonen geuren aan hun randen van het onbegrijpelijke. In de stilte is
God, zeggen de monniken. Dat geloof ik best. Stilte is oneindigheid
waarvan de afgrond in het eigen lichaam, in de eigen oren en ogen wil
klinken. Soms van een nooit geziene zachtheid, soms pijnlijk als een
schrijnende ziekte.
En spreekt Zeus niet in de wind? Orkaan en bries? Het lot dat wentelt
en keert? Zoveel onzichtbaarheid kan ons verlammen, of doen inslapen
als een hand op ons voorhoofd. Muziek is wind, onzichtbaarheid die wij
mensen zelf willen maken. Soms lukt het, vaker ook niet. Aan de randen
wordt de toon onzuiver, dan hebben de klanken aan zichzelf al genoeg.
Maar wezenlijk is de toon die we zoeken: de toon van een leven dat voortdurend
sterft en geboren wordt, op de rand van het onzichtbare onbegrijpelijke.
We zoeken hem in muziek, in een stem, in de wind, in onze adem. En soms
zegt die toon iets dat één ogenblik lang het leven verklaart.
|