Tuin <vorig  verder>

Deze morgen, bij het opstaan en de eerste blik op de tuin, een geweldig schilderij gezien. Je moet maar geluk hebben: de zon scheen, en dan krijg je die diepe kleuren waar Van Eyck naar op zoek was, laag over laag, tot zijn olie als vanzelf begon te glanzen. Voor zulke intensiteit heeft de zon niet meer nodig dan een klein moment. Alleen, je moet er bij zijn, en niet nog liggen slapen.

Een donkere esdoorn, die eindelijk, nu het jaar het meeste heeft gehad, wat andere kleuren durft aan te trekken, geel en lichtbruin, en hier en daar een vleugje rood en een sjaaltje zwart.

De cornus, veel minder verlegen, die van zijn groen ongegeneerd rood maakt, en niet zomaar rood, maar bordeaux. Een bloementuil is deze cornus, breed hangt het bordeaux over het geel en groen, en als de bladeren omgekeerd liggen, over groen en wit.

De kardinaalshoed: het meest indrukwekkende rood dat een tuin kan maken, kardinaalsrood zou ik zeggen, maar dat zal in deze ontkerstende tijden niet veel meer zeggen. Je kunt er in elk geval niet naast kijken, zo aanwezig als dit rood is, robijn, diepglanzend, een schittering voor het oog. En dat allemaal van een plant die voor de rest geen poeha heeft, stilletjes kleine groene blaadjes maken, het jaar door, en alleen als je wat dichter komt zie je de merkwaardige bijna vierkante takken, ingelegd in wat wel een nieuw soort fijn leder moet zijn.

Ah, een tuin in de herfst, een weelde die bijna decadent is van overvloed. Waarom moet alles nu zo glanzen, en zulke nadrukkelijke vormen krijgen? De bladeren van de hosta zijn vuilgeel, vochtig alsof ze uit de tropen komen, en hangen in de lucht als opdienbladen, sierlijk fineer, door een oude timmerman gemaakt.

Het geel van de grote bloemen naast de hosta's is van een andere tijd, lijkt het wel, toen het nog zomer was. Ze staan op stengels waar geen einde aan komt, en dan steken ze die margrietblaadjes nog parmantig uit ook, bijna ongepast van levenskracht. Maar hun verval is plots en hevig: uitgebloeid zijn ze een vormeloos knopje geworden, zo zielig op die nutteloze stelen.

Ook de rozen zijn overlevers, maar met een adel die zij alleen kennen: met het ouder worden van het jaar worden ze kleiner, maar even mooi afgewerkt, en even galant wiegend in deze morgenlucht. Al zie ik er ook, daar hoog op een stam, die afsterven als verstorven zijdepapier, een beetje licht in wat een beetje kleur was, dunne laagjes over elkaar dichtgevouwen door een oude bevende hand.

En dan zie ik in de tuin mijn vrouw lopen, maar dat is een ander schilderij, zoals ze de dauw van de wasdraden veegt, terwijl het morgenlicht langzaam helemaal aangekleed raakt. Dat miniatuurtje wil ik zelf maken, met een van mijn dunne penseeltjes:

Soms, ik vraag het niet, wijkt
de oppervlakte van de dingen:
blauw dat over de aarde schiet,
tuin die bloedt, jij die kijkt.