Stappen <vorig  verder>

Stappen en stappen is twee. Een mens stapt uit zijn bed, stapt door gangen en straten, zelfs in zijn auto stapt hij. Daar begint dan voor velen de echte beweging, over moeder aarde scheuren met een snelheid waar de dieren het hoofd over schudden en planten zich vol walging van afkeren. Dan denken die velen dat ze bewogen hebben, maar niets is minder waar: ze zaten stil. En ware het niet van het stuur en de versnellingspook, ze vielen in slaap.

Hoe anders de echte stappers. In hen is de sensatie levend gebleven van het kind dat zijn eerste stappen doet, de wereld onder zijn voeten vandaan duwt en ontdekt dat het leven oneindig is. Wat zoekt een wandelaar anders dan oneindigheid. Met elke stap brengt hij haar dichterbij, gelooft hij dat zoiets mogelijk is, dat hij eeuwig zal leven. Soms letterlijk: de koppigheid waarmee de oude Gerard Walschap zijn dagelijkse wandelingen maakte, was een strijd tegen de dood.

Maar ook wie een uurtje de velden intrekt, zoekt de ruimte die voor en achter is, boven en onder, en die hem zegt hoe sterk zijn leven is als het grote zo dichtbij kan komen. Misschien is er in de beweging wel muziek, zoals de middeleeuwer geloofde in de muziek der sferen. Want ook dat zoekt de wandelaar: de geluiden van een leven dat rolt. Stappen kan bedwelmend zijn: de wandelaar hoort zichzelf leven. Zijn adem schuurt, zijn bloed klopt, zijn stappen jagen hem met hun korte krachtige slagen ongenadig voort, een continuo waarop hij wel muziek moet blijven maken. Zoals de auto's hun technobassen hebben. En de vogels hun trillers en arpeggio's. En de wind in de bomen speelt.

Geen grotere wandelaar dan de wind, geen voorzichtiger wandelaar. Je hoort hem niet, tenzij je van jezelf even stil wil staan: de wind stapt niet, hij danst zichzelf door zijn bestaan, bewegingen zo licht dat ze van een andere orde zijn dan die van ons, stervelingen. Of we nu mensen of dingen zijn, wij stappen toch maar om aan de dood te ontkomen, we weten dat ook hij stapt, sneller dan we misschien vermoeden. En toch: elke stap zet zijn voet op het nu en levert het bewijs dat we kunnen en mogen bestaan.

Maar de dansende wind is van een andere orde, bijna lichter geworden dan zichzelf, als de oude meester licht zelf, en zijn dienaar de schaduw.

Mensen maken wat moeilijker muziek als ze bewegen, niet zo licht, niet zo ongrijpbaar. Maar wel eigenzinnig zichzelf: de man die met coureurspetje en hoge rug de straat uitbeent; de oude man met de manke heup, telkens weer een kwartje draaiend rond zijn stok; het kleine meisje dat om de twee stapjes even de lucht ingaat; de oude breekbare dame, die na elke stap vlug haar botten telt; het koppel dat aaneengegroeid is als verweerde, scheefgezakte huizen; de echte hobbystapper, ongeduldig lijkt het wel, geen tijd te verliezen, zoveel verten moet hij nog halen; de weekendfamilies die in eerste versnelling naast elkaar glijden; de bleke jongeman die in sjokken zijn hele wereldbeschouwing heeft gelegd. Ik zie hun beweging, ik wou dat ik hun muziek kon horen.

Want elke muziek moet een luisteraar hebben. Zelfs de echte muziek, even licht en ongrijpbaar als de wind, even snel bij de verten, zelfs die muziek klinkt beter als er iemand luistert. Hoeveel te meer dan de kleine muziek van een mens die beweegt. Iemand moet stil staan en een teken geven dat hij het heeft gehoord, de klank van een leven, die hele speciale klank…