Over afstand & dichterbij komen <vorig  verder>

In Kader Abdollahs nieuwste roman, Portretten en een oude droom, gaat de hoofdfiguur op reis naar Zuid-Afrika. Die hoofdfiguur is, als een eerste portret, het portret van de schrijver zelf: Iraanse schrijver, woonachtig in het regenachtige Nederland dat hem als vluchteling heeft geaccepteerd en in wiens taal hij schrijft. Kader Abdollahs boeken zijn altijd autobiografisch geweest: in De Adelaars beschrijft hij zijn aankomst, in De reis van de lege flessen tast hij de gevoelswereld af van een asielmens in dit vreemde, lage land.

Zuid-Afrika is een openbaring. Het is alsof hij het vaderland terugziet: de donkere tinten van de aarde en van de mensen, de warmte, de glans van de zon. Waar is mijn thuis, denkt hij, en hij voelt zijn verlorenheid, hij die wegging uit het land van zijn vaderen om wortel te schieten in een andere taal. En nu is het oude land hem achterna gekomen. Alsof het ook verloren was, en eenzaam.

Over verlorenheid gaat het boek. De verteller wordt gevolgd door vijf dode vrienden, die in zijn spoor meereizen. Eén van hen vertelt trouwens het verhaal. Opgepakt door het Iraanse regime. Geëxecuteerd. Die dode medereizigers geven het verhaal een vreemde poëtische toon waar ik zeer van hou. Wie dood is, is niet dood, kan blijkbaar nog heel intens leven. Verliefd worden. Een boerderijtje vinden dat wel een oude droom lijkt. De zee zien en weer opnieuw verlangen.

Maar Mamoud, de reizende schrijver, is niet dood en schrikt telkens weer van de hoeveelheid leven die op hem afkomt. Eén mens fascineert hem biezonder: de man van één van de dichteressen die meereizen en ook lezingen geven. Hij kijkt, en ziet het verdriet in hem. Hij kijkt, en zijn kijken is luisteren, en dichterbij komen, en proberen te begrijpen. Aan de rand van de Indische Oceaan vertelt de man dat, sedert zijn scheiding, hij zijn kinderen niet kan zien. En nu heeft hij gehoord dat deze week zijn eerste kleinkind is geboren. Dat hij niet zal zien. Hij schrijft brieven, zegt hij, om tenminste zijn verdriet kenbaar te maken. Maar ze willen niet dat hij komt.
Hoe diep is de verlorenheid van een man die op een dag verliefd werd, zijn vrouw verliet en daardoor ook zijn kinderen? Hoe diep is de verlorenheid die je jezelf aandoet, al heb je geen keus?

Het is ook een boek over dichterbij komen. Tegenover verdriet kun je afstand bewaren of dichterbij komen. Mij fascineert hoe de blik van de Iraans-Nederlandse schrijver warmte geeft, in tegenstelling tot de zware ironie van veel hedendaagse kunstenaars. Ik heb me afgevraagd hoe dat komt. Er zit een oneindige nieuwsgierigheid in naar de mens, dat wezen dat verstoot en aantrekt. En er zit een oneindig verlangen in om te begrijpen. Geen negatief a-priori tegenover de mens, alsof we daar een mislukt geval hebben waar we het moeten mee doen, dom en verraderlijk. Nee, een openheid om te luisteren die zich bevrijd heeft van alle vormen van afweer, geleerd heeft dat je tegenover het leven eigenlijk alleen maar vragen kan stellen. Misschien moet je het leven wat in zijn veelvoud hebben gezien om dat te kunnen, misschien moet het leven zelf pijn hebben gedaan. Die nieuwsgierige openheid doet me denken aan fotografen als Carl Dekeyser, of Sebastiao Salgado. Er zit in hun dichterbij komen niets van veroordelende afstand, integendeel, iets van wat je bijna liefde voor de gefotografeerde zou kunnen noemen. Niet banaal is de mens, is elke mens, maar oneindig fascinerend.

Omdat ik ook die afstand wilde begrijpen, las ik Problemski Hotel van Dimitri Verhulst, over een asielcentrum in ons land, en alle geschiedenissen die daar samenstromen met hun torenhoge last. Geen deur is groot genoeg om ze allemaal door te laten. Geen stilte kan genoeg zwijgen. Dan maar een spot die pijn doet, grofheden en beschrijvingen die maar één ding zeggen en niet zeggen: die pijn, die pijn…

In de beweging van afstand scheppen door te slaan zit soms alleen maar het slaan. Waarom weet ik niet. Misschien omdat het van zich afslaan ook iets van een kick heeft: kijk mij eens tekeer gaan. Dan wordt afstand goedkoop, van het niveau van een lompe mop.

Maar als de levende mensen van het asielcentrum worden geportretteerd, dan doet de blik pijn omdat het leven pijn doet. Dan voert de verteller een gevecht dat bij voorbaat verloren is en toch nog ergens in wil geloven. In het cynisme van deze "verhalen" zit een koppig mededogen. Koppig omdat zwijgen een eigen keuze moet zijn, en niet het onvermijdelijke einde van alles. Mededogen omdat de verteller kijkt, en zijn blik niet afwendt.

In het cynisme van dit boek zie ik evengoed een verlangen om dichterbij te komen, maar dan wanhopig. Niet iedereen heeft de zachte moed van Kader Abdollah, die niet moet roepen om het verdriet aan te raken.

Slechts in één verhaal breekt de zachtheid helemaal door: Geen enkel geluk ontslaat de mens van zijn verdriet. De verteller voelt dat de minderjarige Lydia bij hem in bed kruipt. En dan: de gedachten en gevoelens die zich laten horen, al die stemmen en lichamen en woningen die hij al zolang meesleurt. Maar het verhaal eindigt in een stil zwijgen, dat niet meer cynisch maar in stotterend verlangen gedeeld kan worden: "Blijf. Blijf naast me liggen. Tot we de regen ruiken die het jarenlang vertikte te vallen boven onze vermaledijde dorpen. Blijf. Liggen. Jouw geslagen lijf tegen het mijne. Zodat ons lijf alsnog een lichaam wordt. En we zullen zwijgen. Het is zwijgen dat we zullen. Maar samen. Blijf."