15 april <vorig  verder>

Met mijn vader naar zee, naar het huis waar hij met mijn moeder gewoond heeft. Hoe noemen ze dat: een bladzijde die omgeslagen is.

Van 's morgens vroeg staat hij al klaar en we moeten glimlachen om zijn zenuwachtigheid. Hij wil laarzen meenemen, hij wil nog aardappelen planten, hij wil zijn kippen zien, hij wil aan buurvrouw voorstellen of haar zoon het huis niet wil kopen, hij wil dat Lieve alle kasten inspecteert, hij wil de diepvriezer leeg maken, en de kelder, hij wil zijn pensioen regelen.

Als we thuiskomen, is het huis kil en onherbergzaam. Ik krijg de verwarming niet op gang en we houden onze jassen aan. Mijn vader is naar de buren en we gaan ook dag zeggen.

Hij is, tot mijn emotie, geweldig geëmotioneerd. Mijn moeder is gevallen tijdens een van die discussies met mijn vader en hij denkt dat hij de oorzaak is van haar ongeluk. Ik zeg: maar vader toch! Buurvrouw zegt niets maar kijkt hem aan met een merkwaardig zacht gezicht. Nooit eerder zag ik mijn vader zo wanhopig snikken, hij die vroeger de moeilijkheden wegvloekte, wegsloeg. Hij die woedend wegstapte, de ruimte van zijn velden in, hij die zijn woordenvloed liet donderen over tegenslag en onbegrip, hij huilt achter zijn grote donkere bril.