14 april <vorig  verder>

Als ik binnenkom, ligt ze op haar zij, starend naar een punt in de hoek van de kamer. Het duurt seconden voor haar blik bij mij is.

Ze zegt nauwelijks iets, ook al omdat ze de woorden er uit moet persen, met alle kracht van die halsspieren waarmee ze ook aan de lucht werkt.

 

Ik zit op de rand van het bed en kijk naar haar. Dicht bij haar komen kon mij vroeger irriteren, nu vervult het me met een soort zorgende liefde die mij goed doet. Ze heft haar hand op en ik neem hem vast. Binnenin die aders is een opstand aan de gang, schermutselingen, opstootjes, zo onregelmatig en verward klopt haar bloed. Twee keer zegt ze met wijdopen ogen: Je moet mij alleszins helpen. Of ze begrijpt wat ik antwoord, weet ik niet.

 

In de gang spreekt een verpleegster mij aan. Dat ze zoveel slaapt. Dat ze bijna niets meer eet. Dat ze niets meer kan. Het wordt gezegd met een bezorgdheid die mij goed doet.

 

Als een zoon zijn moeder verliest, is hij dan nog een zoon? Ik heb de indruk dat het sterven van mijn moeder voor mij een tweede geboorte zal zijn. Misschien dat ik dan pas ten volle op de wereld zal staan, losgelaten door de hand die mij op de wereld heeft gezet. Het besef: ik ben een eenheid, een zelfstandigheid. Het besef van hoofd tot voeten. Rond mij waaien winden, raast verkeer, liggen beddingen van maatschappelijk belang, staan onzichtbare muren van pijn waartegen mensen aanlopen die er niet om hebben gevraagd, schieten bloemen op op het vastgestelde uur. Maar ik besta.

 

Maar ook de dood is in mij geboren. Ik was een jongen, altijd geweest, een zoon, die van zichzelf geen ander beeld had dan dat hij jong was. Nu de dood uit haar gezicht naar voren treedt, zie ik rondom mij, in de gezichten die door het toeval langskomen, de oude man of vrouw die erin verborgen ligt, zie ik de aftakeling die wacht, zie ik de dood die huid en handen en haar weerloos maakt.

 

"Voor alles en iedereen die je verliest krijg je ook weer iets terug. Zolang er leven is, is het nooit op." (Jeanne Moreau)

 

Als ik bij de wc-pot haar billen afveeg, of in bed haar opzij leg zodat Lieve met mercurochroom rode wonden kan reinigen, of haar bleek glanzende benen optil en goed leg, ben ik dankbaar dat de onvoorspelbaarheid en onomkeerbaarheid en creativiteit van de natuur mij mijn moeder hebben gegund, mij mijzelf hebben gegund. Hoeveel is er nodig om het anders te doen verlopen? Maar dit zijn de wegen die zijn, en onvoorspelbaar en onomkeerbaar gaat ook dit leven weer uiteen, zoals ik als oude man zal worden opgetild en in bed gelegd, met een lichaampje van niets dat minder en minder wordt, tot er werkelijk niets van over blijft, niets van werkelijkheid.

 

Het regent, de wind slaat in de bomen, nu zit mijn vader, omdat hij niet buiten kan werken, met dezelfde ingevallen mond als mijn moeder op z'n stoel voor zich uit te slapen. De ene dood lijkt op de andere.