8 april <vorig  verder>

We nemen haar vast en zeggen: wil je 'ns naar het toilet?

Ze tuit haar lippen en zegt: 't zou kunnen.

We lachen: allé, 't is goed, en trekken haar, elk aan een schouder, op uit de zetel. Maar ze gaat nauwelijks vooruit. Haar vergroeide voeten blijven werkeloos staan. Ze kijkt alsof ze niet meer weet hoe alles nu verder moet, en zo zal het ook wel zijn. Het bevel tot handelen bereikt zijn doel niet meer. Ze staat daar als een kind achtergelaten op een perron.

 

Wiebelen met haar ene arm, en ze stapt. Haar andere arm naar omhoog, en ze stapt. Het duurt minuten. Halverwege houdt ze halt en zegt dat we met haar zoveel sloorement hebben. Bij het toilet draaien gaat al helemaal niet. We moeten met onze voeten tegen haar dode voeten duwen en haar dan als een klomp vlees neerlaten op de pot. Als ze later weer op haar stoel zit, vastgebonden om niet weg te glijden, kijkt ze wezenloos voor zich uit. Een sloor. Een doolaard. Dat laatste woord gebruikte ze niet, maar ze had het kunnen gebruiken.

 

In stilte samenzittend en communicerend langs andere kanalen (ik moet het mijn zoon uitleggen, dat hij zou weten dat dit geen verveling is), heb ik de tijd om naar de verpleegsters te kijken die in en uit lopen. Ik denk: als ik een van hen zou volgen in haar eigen leven, waar zou ze wonen, hoeveel kinderen heeft ze, leven haar ouders nog? Als ik haar moeder kon volgen, wat heeft dat leven niet allemaal meegemaakt? En haar grootmoeder? Leven is verbijsterend veelvuldig, als de fractalen van Mandelbrot. Je zoomt in op een detail en hele vergezichten openen zich. En dat proces herhaalt zich eindeloos.

 

Als ik inzoom op m'n moeder, hoe ze wegglijdt in verbijstering, zal ik dan ander leven zien opdoemen?