7 april <vorig  verder>

Wakker geworden uit bekende en onbekende dromen. Onder de geslepen stemmen van Haendels Theodora Thomas naar zijn school gebracht voor een reisje naar Londen. Het is nog donker. De straat lag er vreemd bij met al die levenloosheid. Hoeveel keer is het werkelijkheid?

 

De ziel wordt niet ouder, zegt Peter Ustinov in een interview, alleen het lichaam valt uiteen. Ik blijf dezelfde als toen ik vijf, zes jaar was, zegt hij, alleen kan ik wat ik toen zou zeggen nu zeggen met de ervaring van een oude man.

Zou je dan onsterfelijk willen worden, vroeg de interviewer.

Mijn god, nee, zei Ustinov, alleen de dood structureert het leven.

 

Werkelijk is dat ook het lichaam van mijn moeder op de loop gaat. Ik overdrijf, het gaat traag zoals die huid wil oplossen in de beenderen die eronder liggen, bijna doorzichtig als perkament, met een essentie van licht in de binnenste cellen. Het gaat traag, maar ik heb de eigenschap dat ik de tijd kan versnellen en dan zie ik haar doodshoofd uitpuilen, dan zie ik haar knoken van de rand van de stoel vallen, dan zie ik haar ingevallen mond.

Waar gaat haar geest naar toe? Er blijven brokstukken over. Twee woorden met een krakend geluid na. Haar vinger die ze richt om te wijzen, maar de stilte is loodzwaar. Een onverstaanbare zin. Ik vraag wat ze bedoelt en ze schudt machteloos het hoofd. Of ze heft even verontschuldigend haar hand. Wat er bedoeld wordt weet ook zij niet.

Wat een mens toch allemaal moet meemaken, zegt ze dan. Ik knik verontschuldigend.

 

Soms wordt de toon waarop ze spreekt die van een kind. Als de vrouw in het bed naast haar naar het toilet moet, zegt ze: Madame naar wc. Kindertaal in een vrouw van 85.

 

Ik geef haar wat te eten. Ze lust weinig. Drinken. Altijd maar drinken. Tot ze ook daarvan genoeg heeft. Ze zegt: Nu heb ik genoeg gegeten. Ze vouwt haar ogen dicht, hele dunne papiertjes over wat nog het meest jong is gebleven in haar gezicht.

 

Zal ze slapen? Nee, ze kijkt weer, ademt zwaar, frunnikt met haar vingers aan haar serviet, kucht moeizaam.

 

We moeten wennen aan de tijd die hier tot stilstand komt. We moeten op een andere manier met elkaar leren spreken. Zoals we nu bij elkaar zitten zal het ook wel goed zijn.

 

Dan kijkt ze plots mijn zoon aan, met een heel ander gezicht, en ze zegt: Steven heeft schone ogen.