8 mei <vorig  verder>

"Een schilderij kun je niet uitleggen. Een gedicht kun je niet uitleggen. Er is bijna niets dat je kunt uitleggen in dit leven." (Francis Bacon)

Je hoeft niets uit te leggen. De dingen moeten zijn, liefst zo diep mogelijk: mens, gedicht, schilderij, blad, steen. Want het komt op het verticale aan, het geheel in elk deel, en niet op dat horizontale, dat verraderlijke van de tijd en van de uitleg. Elk gedicht bevat de poëzie, elk schilderij de schilderkunst, elke mens de mensheid.

Is dit laatste waar? Groeit een mens dan niet? Natuurlijk groeit een mens, een blad, natuurlijk is het ene gedicht echter dan het andere. Maar het is niet het soort groeien dat van twee maal twee vier maakt, het is geen optelsom. Het is het groeien in de diepte, in het veroveren van die diepte die onder de oppervlakte schemert en elk bestaan groot maakt, als het dat wil. Sommigen bereiken die voltooiing als ze twintig zijn, anderen nooit. Ze worden ouder, ja, maar dat was niet de zin van hun bestaan.

Alfred Brendel die een lage do aanslaat, dat is bestaan. De simpele dorpsgek die nooit zijn ontzaglijke onschuld is verloren, die hem ooit in eenzelfde diepe kleur schiep en hem dan losliet tussen de levenden. Zoals hij daar in de kerk met grote ogen opkijkt naar en meeleeft met de priester is zijn bestaan angstaanjagend doorzichtig en tijdloos. De woorden van Shakespeare. Woorden zijn soms bergen, die na het botsen van de continenten nooit meer weggaan. De baby die geboren wordt en alles heeft van een mens, alles. De acer die uitbot, met in zijn zaden nieuwe acers, een heel bos. Ook Abraham was ooit baby, was ooit zaad. Bestaan is ontzagwekkend diep en groots.