30 april <vorig  verder>

Ze zit met haar ogen gesloten terwijl ik haar eten geef, de oude mond kauwend met kleine, bijna dierlijke bewegingen. Ik heb haar uitgezakt gevonden in haar stoel, haar rechtgezet, en nu voed ik haar. Rosbief. Pap. Brood moet ze niet. Gepelde partjes mandarijn, waarvan ze vraagt hoe dat heet.

Altijd met die gesloten ogen.

Dan zegt ze plots dat ik te goed voor haar ben, dat ze een sukkelaar is. Ik vraag: vind je jezelf een sukkelaar? Ja, zegt ze, een grote sukkelaar. Ik vraag: heb je dat dan nooit verwacht? Neen, zegt ze. Ik vraag: wat heb je dan verwacht? Dat het leven verder zou gaan, zegt ze.

Altijd met die gesloten ogen.