27 april <vorig  verder>

Nu ze langzaam beneveld raakt, komt uit haar grond een zachtheid die ik nooit had verwacht, na haar woede en verzet van de eerste weken. Ze geeft een verpleegster een kus, ze dankt andere verpleegsters als ze een slok water krijgt, ze antwoordt vriendelijk als je haar vraagt hoe het is: als het een beetje gaat, of zegt met veel overtuiging: goed, goed.

Misschien gaat het ook wel goed met haar en zal ze, op haar reis door tijd en ruimte, ingepakt worden als een zoet kind door goede krachten die haar zullen beschermen en begeleiden. Misschien vindt ze voor ze sterft de liefde waar ze zo lang naar heeft gezocht. Het soort dichtbije, tastbare, lichamelijke liefde dat niemand haar tijdens haar leven heeft kunnen geven.

 

Op het einde van haar leven had ook Lisaatje Pottie zo'n lieve goedheid over haar gezicht. Wij kinderen dolden soms met haar. Dat kinderlijke ongevaarlijke van mijn grootmoeder is een beeld dat ik nooit meer vergeten ben. Waarom dan is mijn moeder haar leven lang zo bang geweest voor die mist in haar hersenen? Honderd keren heeft ze gezegd dat we haar van kant moesten maken als het zo ver kwam. Maar er zijn dingen die je je niet kunt voorstellen en dan ook niet doet.

Een paar keer al heeft mijn vader bij Lieve ongeremd gehuild. Een keer kwam ik net uit bed, maakte bij het binnenkomen van de keuken een kwinkslag en zag de tranen niet achter zijn zware bril. Zo'n sterke vrouw geweest, en zoveel gewerkt, altijd kaarsrecht en goed wetend wat ze wilde. Zo'n prachtige vrouw.

 

Als hij bij haar aan het ziekbed zit, weet hij zich geen houding te geven. Niet alleen dat het zitten lastig is voor zijn vleesloze lichaam, maar dit is nooit het soort huwelijk geweest van veel praten en samenzitten, hand in hand. Hij praat tegen haar als tegen een klein kind, slaat zachtjes op haar hoofd en weet tegelijk van zichzelf dat hij belachelijk is.
Zij kijkt hem aan, of sluit haar ogen, maar zegt niets.