24 april <vorig  verder>

Zwaar ademen, met alle spieren die de hals rijk is opzwellend, als een kikker aan de waterkant. Haar buik zwelt mee. En ondertussen wriemelen met haar witgebleekte handen aan de lakens, telkens weer dezelfde onrustige vingers die in de lucht een beweging van een oeroud ritueel lijken te maken en dan neervallen, uitgeput.

Ik word er zenuwachtig van, van dat frunniken en dat ademen. Ik heb haar wakker gemaakt omdat het al na zessen was toen ik arriveerde. Ze herkende me niet meer. Vader, zei ze. Misschien had ik haar moeten laten slapen. Wil je nog verder slapen, vroeg ik. 'k Zou nog kunnen, zei ze. Maar haar ogen gingen niet meer dicht en de onrust beving haar van lakens en lucht.

Zij die haar leven lang in een drie eeuwen oude grote boerderij heeft gewoond, omgracht, omringd door hectaren lucht en aarde, bomen en vee, die vrij was in doen en laten, zij ligt hier in dit minuscule kamertje, dat ze nog moet delen ook. Haar oog staart naar het plafond. Ziet zij wat ik zie?

 

'k Zal je laten slapen, we komen morgen, zeg ik, nadat ik haar gezicht heb verfrist met een nat washandje.

Als het waar is, zegt ze.

Ik zeg: het is toch altijd waar? Lieve komt morgen.

Lieve komt morgen, zegt ze.

 

Als ik van haar weg rij, is het half zeven en stralend lenteweer, met grote wolken die de zon onderbreken om haar daarna des te sterker door te laten. Zwaar licht en de kleuren langs de weg. Nog een lange avond wacht, vol kracht en mogelijkheden, en in dit kamertje op de derde verdieping van dit gebouw ligt een nutteloos lichaam, gebet in trouw gebleven slaap, in leven gehouden door overjaarse machinerieën die ook naar hun einde gaan. Wie bepaalt het einde van iets, vraag ik mij af, temidden van jonge auto's, bomen die als op bevel uitbotten, stenen die glanzen in de zon. Niet het einde zelf is een probleem, aan elk begin is het idee van een einde gekoppeld, daar heb ik vrede mee. De vraag is alleen: wanneer? Wie stelt af? Wie programmeert? Zal zelfs de zon ooit aan haar einde komen?