22 april <vorig  verder>

Ik zit hier te wachten op mijn dood, zegt ze.

Soms valt haar mond scheef, glijden haar ogen bijna dicht, trekt haar gezicht zich terug. Dan kijken Lieve en ik elkaar aan en denken: ze is weer weg.

 

Ze opent haar ogen. Lieve is zo goed voor mij, zegt ze. Ja, zegt Lieve lachend, maar ze reageert niet, behalve door het na een tijdje nog 'ns te zeggen. En nog 'ns. Lieve, je weet wel wie ik wil zeggen, voegt ze er aan toe terwijl ze Lieve aankijkt.

 

Soms schrikken we van de zieligheid die ze uitstraalt. Die keer toen we binnenkwamen en ze, hoewel vastgebonden in haar zetel, onderuitgezakt was tot op haar rug. De verwarring die haar gezicht benevelt en waaruit ze naar ons moet komen, waaruit ze moet opstaan, zoals wij haar lichaam recht zetten.

Eigenaardig dat het adjectief van ziel nu net de afwezigheid van ziel aanduidt. Of is een mens, van nature, zo hulpeloos naakt dat iemand moet langskomen om te helpen? Het zijn beelden die in mijn hoofd blijven spoken. En 's avonds zegt Lieve net hetzelfde.