20 maart <vorig  verder>

Mijn moeders geest is weggelopen, op reis gegaan en haar lichaam heeft het er moeilijk mee. Soms staart ze dwars door mij heen, naar een verte, een horizon, naar een tijd toen ik er nog was. Soms haalt ze een moeizame arm op, en haar kromgegroeide vinger wijst naar iets zoals men wijst naar een vogel die te snel voorbij vliegt, onzeker over de juiste plaats, een beetje verbaasd de vinger in de lucht laten hangend. Soms breekt een woord los, zoals een stuk krant opwaait door een windstoot, zoals wat overblijft wanneer alles is verhuisd. De leegte rond een woord. Ze schrikt ervan en halverwege houdt ze op, mij met grote ogen aankijkend, niet begrijpend waarom ik vraag wat ze bedoelt.

 

Als ik wegkijk en verzink in gedachten, merk ik dat ze me al die tijd heeft aangestaard, lichaam bij lichaam, oude gewoonte van samenzijn als huizen die zijn scheefgezakt.

 

Soms doortrekt haar een grimas. Heb je pijn, vraag ik dan. Nee, schudt ze, met die dichtgeknepen lippen en die kinderlijke beweging (Ze schudt altijd nee. Omdat dat minder lastig is dan ja-knikken, zegt Lieve). Krijgt ze het plots koud? Voelt ze de open plekken in haar hoofd? Ze is mijn kind nu, zoals een kind heeft ze angst alleen achter te blijven, zoals een kind opent ze af en toe een oog, terwijl ik denk dat ze slaapt, om te zien of ik er nog ben.

 

Ze wijst weer. Haar hand: een oude vogel, die dan landt. Mijn moeder is een schim aan de dodenrivier. Door het verkeer dat buiten het raam zijn wegen volgt, hoor ik hoe ze straks wordt overgezet.