Het grote vervloeien 1 <vorig  verder>

Het grote vervloeien. Het heeft te maken met de duizelingwekkende diepte die je in alles kunt aantreffen, je hoeft alleen maar lang genoeg te kijken.

Met dieren en dingen is dat het makkelijkst. Ze hebben geen ijdelheid, ze verbergen hun angst niet, ze lopen niet weg.

Zo'n vogelveer, daar zit zo'n tijdloze drang naar volmaaktheid in, daar word je stil van. Verwondering is een hogere vorm van nadenken. De ogen van de poes als die je aanstaren, en zij staat in een brede plas zonlicht op de stenen vloer. Of variatie op hetzelfde thema: ik sluit mijn ogen en laat mijn gezicht masseren door de zon, een handeling die indrukwekkend voelbaar is.

Zielen van dichters worden met die trage blik geboren, denk ik soms, of ze het nu weten of niet. De dichter, dit gehucht waar koningen wonen en bedelaars, waar vrouwen doodgaan aan liefde en honger, waar kinderen spelen en groot worden, waar het lawaai uit alle hoeken van de wereld soms opentrekt als mist en muziek laat horen of weldoende leegte, waar iemand op een stoel zit en wacht, in levende lijve, en zo nabij dat hij hem kon aanraken, als hij dat wilde. Een gehucht met een museum, met een bibliotheek, met angst in de wintermaanden en tuinen in de lente, met wil en onwil, trots en ondergang, glorie en stilstand. Soms tocht het, soms sluit het huis als een schelp, soms blijft er iemand, een moment dat eeuwig zal worden. En altijd zijn er gezichten, van jongens, van oude mannen en vrouwen, van de neger langs de huizen, het meisje aan de kassa, de muzikant, de eerste minister. En altijd zijn er woorden. Plaatjes. Emmertjes. Stenen. Handpalmen. Bergen. Als de woorden er niet waren, verviel het gehucht tot as, stof dat slechts opwaait onder de voetstap van wie onbewust van wat geweest is, voorbijgaat. Op weg naar nieuwe concentraties, nieuwe punten, nieuwe cataclysmen. Hij weet het niet, hij droomt niet, hij gaat. Zoals 's avonds de opkomende wind zijn voetstappen weer toedekt.