Schimmenspel 2 <vorig  verder>
Er is geen tijd, want alles is tijd.
Als alles tijd is, is er geen tijd.
De berg verpulvert, en de zee is berg geworden.
De steen die mij begraaft zal wegvloeien naar zee.
Er is geen wind, er is geen blad maar
De wind schept het blad, het blad de wind.
Waar is oorzaak, waar is begin?


Er is geen tijd, want alles is tijd.
Overal alles, overal niets. Het vuur
En wat er overblijft. Zelfs de kleinste molecule
Is op weg. Een zee die landinwaarts trekt.
Het heelal en je hoofd en je zwijgen.
Als het avond wordt, verdwijnt alles
In het niets.


In mijn droom drijven de dromen.
Doodstil lig ik: straks komen we weer,
In het holst van de nacht.
Wat vrezen we als we sidderen van slaap?
Wat horen we, waar kijken we naar?
Hoeveel keren zijn we mee dood gegaan?
Wie roept daar met mijn keel?


Er is geen tijd, want alles is tijd.
Toen ik jong was, werd ik wakker.
Als oude man zal ik ontwaken.
Door de kier van de deur voel ik de koude.
Maar nu mag ik geboren worden,
De zachtste aanraking. De lichtste overstroming.
Hoeveel keren ben ik zo mens geweest?


Maar altijd beweging, beweging.
Achter de ogen het stromen,
In de handen het woelen, oude mol,
In de voeten de zware stap die voor mij gaat,
In de rug het silhouet van wie geleerd heeft
Dat het goed is te geloven:
Ga maar. Kom maar.


En als ik je hand raak
En het genot je achterover drukt
En je alles vergeet,
Stroom je dan niet heviger voort,
Onbeschermd, een kind
Dat alle kracht rond zich verzamelt
Om in te slapen, te wachten, te verliezen?


Of zink je dan, edelsteen
Die ik geslepen heb, van zwaarte
Tot je middelpunt, zoals de aarde
Niet vergaat en de klank trilt,
Zo dicht dat alles even ophoudt
En je loslaat, zo licht
Dat alles even staat?


Ik zag een meeuw dalen
Haar vleugels sloegen het gat
Waarin ze moest vallen.
En zie, een seconde bleef ze hangen
Haar borst van zuivere sneeuw.
Een eeuwigheid om haar te wensen,
Te houden, te behouden uit de val.


Ik zag de druppel aan het blad.
Er was zon in,
Het heelal en de bladeren.
En ik wist hoe de tijd dichtgesnoerd werd
In de holte van mijn oog.
Leer mij zien, zei ik
En de druppel viel.


Maar er is geen tijd, want alles is tijd.
Er is geen druppel, er zijn druppels.
Er is geen meeuw, er zijn meeuwen.
Ik ben niet, ik was en zal zijn,
Mijn schouders uitgedeeld,
Mijn vingertoppen verloren,
De woorden uit hun mond.