Monniken <vorig  verder>
Ze gaan voorbij, de gangen om hun schouders.
Hun blik heeft geen lichaam meer.
Ze gaan en vragen niet
En worden plots veel ouder.


Dan zingen ze de oudste woorden,
Zwijgen hen, in de stilte nadien.
Nog later in het donker
Sluiten ze de ogen om te zien.


Bladeren aan de bomen, lichtval
In het raam, grond waaruit de avond komt.
Ze zullen opkijken en vervagen,
Lange mouwen vouwen hun ogen dicht.


De paden binnenin zijn de langste paden.
Ze komen boven de dagen uit. Wie meet hen,
Wie zal hen beschrijven, tenzij hun lichte gewaden,
Tenzij de lichtheid van hun huid?


Gangen schuiven om hun schouders
De kap legt zich om hun hoofd.
Als de klok hun hartslag luidt,
Wie wordt in hen gedoofd?


Wat moeten ze begrijpen, tenzij de lichtval
In het raam, de randen van de bladeren.
De paden binnenin zijn de langste paden.
Wie wordt door hen geloofd?