Vergeven <vorig  verder>
Mijn zoon, hij leest wiegend,
Als een oude jood. Om zijn schouders
Zie ik mijn vaders rug, gebogen
Als een warme mantel.


Soms zit hij stil
En praat met zijn God.
De jongensstem
En de honderdjarige woede.


En in zijn bed
Moet ik ze allebei bedaren.
Doodstil op de rand gezeten
Verteer ik al


Hun bitterheid, als een hand die
Op een voorhoofd vergeten
Vloeibaar wordt en plots
Weer leeft, zo hevig


Dat ik, alleen teruggekeerd
Aan de trap
Wankel en beef
Van al dit vergeven.