Soms zit hij stil En praat met zijn God. De jongensstem En de honderdjarige woede.
En in zijn bed Moet ik ze allebei bedaren. Doodstil op de rand gezeten Verteer ik al
Hun bitterheid, als een hand die Op een voorhoofd vergeten Vloeibaar wordt en plots Weer leeft, zo hevig
Dat ik, alleen teruggekeerd Aan de trap Wankel en beef Van al dit vergeven.