1
Ik heb het nooit goed durven weten
Hoe alle adem zal verloren zijn.
Misschien was ik teveel verlegen.
Misschien begreep ik niets van pijn.
Daarom dat ik me nu al wil verdelen.
Mijn longen zijn van lucht
En lucht is eeuwig, niets anders
Dan wat ik altijd al moest zijn.
Een blad is water, een vogel
Schaduw die keert, de bergrug iets
Wat later licht mijn vinger leert.
En ik die jarenlang dit alles toch mag zien,
Wie ben ik dan? Ik ben de plaats waar
Alles samenkomt, ik ben dat licht misschien.
2
Mij weggeven is kwaad werk.
Ik ben beschilderd met de dromen
Van generaties voortbestaan,
Ik ben het onderkomen
Van angst die nooit is doodgegaan,
Een steen waaronder woelt en graaft en
Wakker ligt al wat geen naam
Mocht hebben en dat heeft aangevoeld.
Mij weggeven is kwaad werk.
Laat mij nog even.
Ik hoor haar aan de ramen beven.
Om mij, om haar, om al dit voortbestaan.
De tuin is donker nu.
Het licht is uit de berk.
|