Zij <vorig  verder>
Zij plukt me als een lucht
Tussen twee huizen, recht op snee,
Een schilfer van grijs om weelderig
Arm te zijn, ziehier mijn vriend die
Rijk is, rijk van leven.


Zij ligt tegen mijn wang
En is niet bang meer, de stad
Vloeit over de bruggen, de huizen
Trappelen als ongedurig vee
En elke lach kan ze loslaten
Vogel aan de uiteinden
Van haar arm.


Kom maar, zegt ze,
Ze is onsterfelijk nu,
Haar glimlach kleedt me uit
Baadt me in wat ze heeft verwacht.
In alle tijden is haar dit gezegd.
Haar borst bewaakt het geheim.


Als wolken die breken ziet zij
Mij branden, zing zeggen haar handen
En de vliezen worden doorzichtig als glas
Licht en donker een koor aan
Iedere huidplooi, zacht van koper.
En ik breng ons samen, als
Wind in een vlag.


Zij zal sterven van slaap nu,
Haar vleugels nat van het zweet nu,
De tranen die zij in haar lichaam
Verborgen hield, en ruisten als ze keek.
Ik droog haar met een weinig duister
Schud de warmte in haar op
Gehoorzaam haar rug en heupen,
Waak bij haar eeuwenoud haar,
Het spoor dat vrouwen achterlaten
Als ze zwijgen.


Haar stad ben ik, haar brug,
De loopgraaf waarin ze uitrust,
Haar slaap wanneer ze dood wil gaan.
De lichtste slaap is die van de wachter.
De diepste slaap is die van de rots.
Ze brengt me samen aan haar oever:
Draag me! En ik draag haar,
Water dat geen enkele steen ooit vergeet
Steen die door de aarde wordt benijd
Aarde donker van haar leegte
Leegte die nooit wordt weggespoeld.


Vluchtig als rook wordt ze wakker.
Ze ademt, en is alleen op de wereld.
Hoe zachtaardig ook de lucht, haar borst
Wordt koud. Aan het brutale raam ziet ze
Hoeveel meer er nog in leven is.
De schaamte dat ze naakt is, de barsten
In haar huid, waar het licht haar wil verdoven.
Ik kan haar niet meer helen, ik kan haar
Niet meer zien. Ik kan haar niet
Meer horen, ze is hier niet misschien.


Wie heeft haar losgemaakt
Als een knop waaruit een bloem verdwijnt
Zoals de klank van een instrument, en nooit
Meer die klank, kind dat van haar wegloopt.
Aan de hoek van de straat zal ze zich
Omdraaien, de huizen eenzame gezichten
Die haar laten binnenkomen en neerzitten,
En als ze wakker schrikt, tast ze,
Hoe de dingen zijn
Die op haar willen wachten.


Zo zal ze me plukken, uit zandsteen,
Druppelsgewijs, glimlach als een kaars
Zo bleek. Ze zegt niets, ze belooft niets,
Ze plukt me in de zekerheid dat ik
Doen zal wat ze vraagt. Meer heb ik niet.
Als haar handen mij bedekken, zal zij zuchten,
Haar adem in mij planten van bloeiende
Leegte. Haar ogen zullen mij los
Maken uit wat ik heb verdreven,
Uit wat ik heb gedaan.