Geschiedenis <vorig  verder>
1

Geschiedenis begrijp ik als hij thuiskomt
Op zijn lippen bijt zijn ogen overal elders achter
Gelaten zijn stem die niet wil klagen zijn mond.

Overal elders haalt men nieuwe huizen af
Boodschappen zorgvuldig weggeborgen eet
En drinkt men voor de laatste keer

En hij weet het.
Er is een wereld die de schijn ophoudt
En misschien hebben wij hem voorgelogen

Ook in zijn slaap hem verborgen gehouden
Met de machtige armen van een gebaar
Hem omhooggestoken naar het schone het ware

Het goede. O we zijn goed voor hem geweest.
We hebben hem geschapen als goden
En niet omgekeken en alles vergeten.



2


Als we op reis gaan tonen we hem een kei.
Kijk, zeggen we, een kei aan het strand.
De hele oceaan stort zich over hem.
Alle lucht sluit hem op.
Kijk, zeggen we, hoe hij glanst
Hoe hij zwijgt ons aankijkt
Volmaakt gesloten
Zacht in de hand
Koel tegen de wang
Ondoordringbaar gaaf
Nog niet verloren.



3

Zijn gezicht nog bleek van binnen.
Soms slaat hij handen voor de oren
Zingt en breekt zijn stem zo luid.
Soms wacht hij bij de deur die een muur is.

Als hij groeit kraken zijn schouders.
Als hij vliegt houdt hij zijn vingers schuin.
Vogel van armen en kleur,
Zien ze hem voorgoed?

Als hij slaapt smelt hij, zoverweg
Verdwaalt hij dat hij niet meer ademt
Niet meet hoort ademen van wie
Zich over hem buigt hem aanraakt

De huid die blootligt niet meer
Vreest en daarom rust
Wie nu kijkt ziet meer dan
Wat hem ooit verborgen werd

Maar in het daglicht zijn gezicht zo
Bleek soms ziet men hoe het later
Hard zal worden soms als hij zwijgt
Hoe hij het ooit verliezen moet.