Tuin <vorig  verder>
Ik buig mij over onvoltooide groei
Spichtige kopjes, nog natte vliezen
Van groen, botten die zichzelf
Hebben omsloten. Ik hurk, onder


Het wit van de lucht waarin
De merels willen zwijgen. Aan wilskracht
Geen gebrek, trillend van geduld.
Alleen jou moet ik nog verliezen.