Verder leven <vorig  verder>
Ik doe mijn best voor onsterfelijkheid,
Zegt hij in zijn hoofd, maakt dan het eten
Klaar voor nog een dag en voor de kinderen.
Hun stemmen tellen zijn uren op, zijn tijd.


Maar hij mag niet gaan zitten. Dan voelt
Hij de onrust hangen. Hij mag niet staren.
Was hij alleen, hij reed nu weg,
Op zoek naar niets. Zo'n grof verlangen


En zoveel dat hij toch voorbij loopt,
Mensen, geluiden en de stenen hier.
Laat hem dan in boeken bladeren of in muziek,
Hij blijft soms hunkeren als het domste dier.