Vannacht droomde ik dat je me zag.
Wat wind in je vergeten haar,
Je had een hond naast je hand,
Er liepen kalveren daar.
Waar ben je nu dat je nog mag kijken.
Je glimlachte, als vroeger, toen
Alles er nog was. Ik hoorde de bomen wrijven
In mijn rug, de velden zich verspreiden.
Je beweegt niet meer. Je zegt niets meer. Je handen
Zijn allang verdwenen. Alleen je ogen
En die oude mond. Wat je ooit hebt gezegd
Weet ik nog, zal ik je ooit nog horen wenen.
Maar je kijkt. Zo mag ik je bewaren.
Zo zullen we, wakker geworden,
Luisteren naar de lichtste wind,
Luisteren of hij zal bedaren.
|