Vannacht 1 <vorig  verder>
Vannacht droomde ik
Dat je me aandrukte.
Je kwam uit de wind
Met nieuw leven, bloed
En slijm op je handen.
Je kromme vingers waren
Vreselijk voorzichtig, ze
Bleven verstrooid liggen.


Hoe waren we daar gekomen,
Je lippen blauw, je gezicht
Slonzig van ongeluk. Hoe
Kon ik je vergeten, we waren
Kind van elkaar, zie ik je beven
Van veel te grote armen
En hun verlangen na
vijftig, zestig jaar.


Stil nu, dat je de koelte
Mag voelen van weer een dag
Die onrust vergiet alsof het niets
Is. En het is niets, ik droom
Dat je opstaat met je over-
Spoelde lichaam, de muur warm
Nog tegen je rug, met de eenvoud
Van wat niet meer bewegen kan
Hond die gaat liggen op
Je schaduw daar.


Het is niets, je ziet de wereld
Niet, ik wil wel zeggen wat
Je ziet, als je dat goed doet:
Je ruikt mijn hand op
Je grijze voorhoofd, kom
Droog je handen in
Mijn haar.