Woorden <vorig  verder>
De vrijheid van woorden?
Woorden gapen angst.
Hun geschrei omklemt werelden.


Woorden, ze trekken hun mensen voort.
Maar vragen gaan sprakeloos over,
verstenen met de laatste lippen:
dood gaan enkel de levenden.


Vrouwen, gescheurd en koud.
Soldaten, met scheve mond en vliegen.
Armen, in hun vleesgeworden honger.


Oude mannen, ze zwijgen vol ogen.
Zelfs hun gezicht trekt zich terug.
Maar het bloed doet geen uitgeleide,
Slordig achter zijn vel vergeten.


Zieken, nodelozen,
De tijd achterop, als brakke drank.
Ze hebben de hoop van manke dieren
en pijn is teken van leven.


De handen verloren gelegd,
Het lichaam hoopje aarde
waar de wind tegen breekt:
kinderen, hun eerste wang
zo moeiteloos verschroeid.


Ik houd ervan te kijken
hoe kinderen sterven,
zegt Majakovski en hikt bloed,
verdomde zielenpoot, schreeuwt zijn ziel
tot de dag zonder kop, scheurt
zijn moed, vóór hij oud is,
vol binnenste buiten.


De vrijheid van woorden?
Ik heb alleen mijn droom:
de dood voorbij worden ze
verwelkomd, omhelsd, geprezen.
Het zingen van de vaders wikkelt
de zonen uit het sterven.
En leven, méér dan leven, schudt de stemmen
los, verloren veelvoud van de handen,
vorm van lichaam aan de mond
zo zuiver opgenomen
en met en voor het licht bewaard.