Zo geschiedde het <vorig  verder>
Op een zomerdag zo geschiedde het

Dat de bomen niet meer verdroegen de aarde,
in een hondse val ontkomen zochten hun gewicht
of verschrompelden tot schaduw van een moeizame lijn.

En de mensen verdroegen niet meer het licht,
sloegen grauwe handen voor de ogen,
knielden met een kreet voorover in het stof.

Toen schreeuwden de vogels, want
de einders verdwenen, als lood zwaar was
de donkere hoek tussen vleugel en lucht.

En de dieren verbrandden, heftig of stug,
verlamd als door een immense greep.
Hun geuren stegen niet op, noch waren welgevallig.

De stenen van de huizen zetten zich in beweging
als bergen lang geleden verdoofd,
als Icarus dreven ze in brokken uiteen.

En de aarde werd droog van een gebarsten tong.
Vier trompetten geheven klonk de hitte,
om keerde de tijd, vloeibaar van vernieling.