De glimlachende sterren baden met gevoerde knuisten
op hun buik, waaruit ze opstaan, heersers van parfum.
Dan snuiven uit de buidel spreuken en
geprevel tot het goede lot. Het duister laat zich lokken.
Een hoofse moeder laat even lopen haar minzame zoon.
Aan onverhoedse koordjes kent zij zijn ziel
en zijn hart waarop ze fier wat brood legt.
De hogepriester van zijn rijzige gestalte af
spreekt uit de hoogste wereld
en leest de tekens voor het voetvolk,
met kwispelende stem, zo meeslepend
als Jonas in zijn walvis van katoen.
Een goed woord voor de rijken. Hun goud
glimt zachter in kluizen van velours.
Al zijn, jawel, hun uren langer, weet hun lijf
een slecht berekende belegging.
En de heersers, van de aangemeste mond,
en de geërfde leugen, de verzorgde
handen en de gladde kin: hartstochtelijk
schrijft de kudde hun naam voor een broodkorst.
's Nachts spelen ze met de Macht. Geen droom,
al laat hij zich niet zien. Maar
het beven in hun stem leert
waar de vluchteling voor beeft.
En oh de generaals, wat is er van de generaals?
Ze hebben nieuwe schimmen die aan de deurposten
bloed ophangen, zeven plagen tot de zeeën
stinken, het graan op de velden is gekorst.
Oh de generaals de generaals, vol opgetuigd verderf.
|