Waar kunnen er nog namen zijn
Als men ze laat verdwijnen
En moeders dwaas worden
Van ongrijpbaar verdriet?
Het kwaad is een slim vergif
Dat zijn rechten jaarlijks verfijnt.
Doden zonder de ogen te vermoeien,
De Smaak heel laten op de punt van de tong.
Het Woord opsmukken tot een feilloze naald.
Met de ogen knipperen, noch de glimlach loslaten.
En Bevelen geven, altijd weer Bevelen geven,
aan een bureau, met de handen over elkaar.
Hoe kunnen er nog namen zijn
als men ze langs vier muren legt,
vier muren van duister en stilte
tot ze dwaas worden van de ademende dood?
Muren behangen maar zonder naam,
ze zijn in eeuwigheid niet om te praten.
Zo staan in hun ontsmette uniform de soldaten,
onwrikbaar verdoofd in hun geboeide hart.
Wie net is heeft de waarheid, en hun kogels blinken.
Zij poetsen de schoenen, zij knippen het haar in onschuld.
Gewonden stinken, en bloed maakt vlekken.
Maar het pak! en de pommade! en de orde van de ring!
Maar kunnen er nog namen zijn
als zelfs de pijn geen sporen nalaat,
als zelfs de pijn tot de beschaving is toegetreden,
niet meer mag genezen in een bittere wond?
|